Onderduikers Eric Baruch en Edith Jacobs met Marietje Vink tijdens een reünie in 1997 terug in de kelder van Het Kervel. Foto: Willy Hermans
Onderduikers Eric Baruch en Edith Jacobs met Marietje Vink tijdens een reünie in 1997 terug in de kelder van Het Kervel. Foto: Willy Hermans

Edith Jacobs overleefde de oorlog in kelder en bos

HENGELO - Bij de research voor het boek Adres Kervel-kelder ontmoette ik Edith Jakobs-Jacobs voor het eerst in 1996. Van de onderduikers die een jaar in de kelder van Het Kervel hadden doorgebracht woonde zij het dichtste bij (Nijmegen) en we hielden sindsdien nauw contact, waarbij ze veel vertelde over die tijd.

Door Willy Hermans

Edith Jacobs (1927-2018) was bij het begin van de bezetting twaalf jaar. Een deel van haar puberteit bracht ze door onder de grond, in hol, hut, gevangenis en kamp. Met haar moeder, tante en nichtje overleefde zij de oorlog na veel onderduikavonturen die eindigden in Kamp Westerbork. Tegen die tijd gingen er geen treinen met transporten naar de kampen in Polen, zodat de dames daar de bevrijding meemaakten.

Twee joodse gezinnen aan de Spalstraat
Edith woonde aan de Spalstraat in Hengelo Gld. Haar vader (Samuel, meestal Broer genoemd) en oom Max (Emanuel) begonnen in de jaren '20 een manu­fac­turen­zaak, gelegen tussen zaal Langeler en café Demming (tegenwoordig Frederiks by Jessi). Ook zwager Lex (Alexan­der) Cohen, getro­uwd met zus Sarah Jacobs, was werkzaam in de zaak.

De drie gingen meestal de boer op met hun handelswaren. Ze handelden naast manufacturen in stoffen, bed­overtrekken, dekens, gordij­nen, kinderwagens, petten, onder­goed. Kortom van alles, zoals dat in die tijd in bijna elke winkel gewoon was.
De winkel zelf was alleen open op marktdagen. Dat waren drukke dagen in Hengelo. Dan waren er ook veel koffiedrinkers en mensen die er hun fiets stalden. De drie echtge­notes naaiden kleren en zorgden voor kussen- en bedvul­lingen.

De twee joodse gezinnen woonden weliswaar in één pand, maar wel gescheiden. Aan de kant van Langeler op nummer 7 woonden Max met zijn vrouw Kitty Jacobs-Hillesum en hun kinde­ren Hetty en Philip. Philip was al voor de oorlog het huis uit. Op Spalstraat 9 leefden Broer met zijn vrouw Lena Jacobs-Franken­huis en hun kinderen Edith en Karel. Bij hen had oma Etje Ja­cobs-de Groot een slaapkamer beneden, zij kon geen trappen lopen.

Aan het vredige leventje in Hengelo kwam een einde tijdens de bezetting. Toen de oorlog uitbrak zat Edith op de MULO in Zutphen. Daar reisde ze per bus naar toe, het tijdperk van de tram was juist voorbij. Een jaarabonnement kostte 12 gulden.

Een grote klap voor de familie kwam op woensdag 8 oktober 1941. In diverse plaatsen in de Achterhoek en Twente werden jonge Joodse mannen meegenomen door de Duitsers. Zo ook in Hengelo, waar vijf mannen door de 'Grüne Polizei' werden gearres­teerd, waaronder Samuel Jacobs. Neef Philip werd in Hummelo opgehaald, waardoor Max Jacobs thuis mocht blijven.

Ze werden naar het afschuwelijke steengroevekamp Mauthausen gebracht. Samuel vond op 27 oktober de dood, Philip vier dagen later. Begin november kregen de families hier bericht van. Ze zouden zijn overleden aan een 'hartkwaal'.

Onderduiken in de kelder van Het Kervel
Daarna werd het leven voor de joden steeds moeilijker. De Davidsster moest gedragen worden; de joden verdwenen vrijwel geheel uit het openbare leven. De winkel van Jacobs moest de deuren sluiten.
SS-leider Rauter riep alle joden op zich op 10 april 1943 in het concentratiekamp Vught te melden. De koffers stonden bij de families Jacobs op de vooravond van hun vertrek al gepakt, toen de moeder van Edith actie onder­nam. Zij had altijd gezworen nooit levend in handen van de moffen te zullen vallen. Zij ging naar mevrouw Van Hoogstra­ten, de burgemeestersvrouw. Deze had eerder haar hulp aangeboden. Zij zorgde ervoor dat de families konden onderduiken op Het Kervel. Dus slopen na spertijd in het donker Max, Kitty, Hetty, Lena, Edith en Karel door de Hengelose straten. Helaas hadden ze hun 84-jarige oma met haar zus moeten achterlaten zonder maar iets tegen hen te kunnen zeggen. Edith: "Dat was een vreselijk moment, maar ze konden echt niet mee. Ze waren slecht ter been. We konden ook niet naar anderen gaan, ieder moest voor zich zorgen."

Onder het landhuis Het Kervel was een schuilplaats in de kelder ingericht. Edith over het ondergrondse leven:
"Het leven was bepaald geen pretje in de onderaardse ruimten. We zaten daar met vijftien mensen. Weliswaar zaten we elkaar niet echt op de lip, maar het was er muf, donker, vochtig. We brachten de dagen door met kaartspel­letjes, liedjes zingen en lezen. Met carbid was er wat schame­le verlichting. Een soort wc was op het 'Waterlooplein'. Eten kwam via een luikje, dat achter een koeling voor melk­bussen aangebracht was. Er was een code afge­sproken, zodat we wisten dat de brenger te vert­rouwen was. Meestal was dit de tuinman van Het Kervel, Wim Vink.

Het mag een wonder heten, dat vrijwel niemand van de onderdui­kers in deze periode een ernstige ziekte heeft opgelopen. Wel zaten we onder de vlooien. Elke morgen was iedereen druk de dekens van vlooien te ontdoen.

Een heel jaar leefden we allemaal ondergronds. Slechts eenmaal mochten we naar boven. Ter ere van de verjaardag van koningin Wilhelmina op 31 augustus 1943 werd een feestelijk diner aange­richt met jonge haantjes. We stonken en waren duizelig van het licht, maar het was een fantastische ervaring na maanden lang onder de grond gezeten te hebben."

Verstopt in het bos bij Wildenborch
Aan het leven in de kelders van Het Kervel kwam plotseling een einde. Duitsers en Landwachters deden een inval.
Edith: "In de nacht van 26 op 27 april 1944 mochten we in verschil­len­de groepjes naar buiten. Dat was de eerste keer dat we naar buiten mochten, na meer dan een jaar onder­gronds! Eerst gingen oom Max, mijn broer Karel en de jongens van Kahn. We hebben ze nooit meer teruggezien. We hoorden dat het mis was door het geschreeuw en gestommel. De kelders waarin wij zaten werden toen niet gevonden, maar we moesten wel op zoek naar een ander onderduikadres.
De volgende dag kwam mevrouw Vink, zij woonde tegenover Het Kervel. Daar hebben wij met ons vieren vijf dagen in een kippen­hok gezeten. Voor ons moest een nieuw onderkomen gezocht worden. Op zaterdagmorgen werden we opgehaald. We liepen de zandweg af, richting Wichmondseweg. Tepie Klem fietste in onze richting. Zij liet een zakdoekje vallen ten teken dat de kust veilig was. Daarna kwam Derk Jansen uit Vorden met een auto om ons mee te nemen.

Hij bracht ons naar kasteel Wildenborch tussen Vorden en Lochem. Daar kwamen we in een jagershut in het bos. Het was een houten keet, niet groot, maar het had wel een vliering. Koffie, thee, rijst en zelfs gebak stonden voor ons klaar; dergelijke artikelen hadden we tijden niet meer gezien. Vergeleken met de kelders van Het Kervel was dit een sanatori­um: bos, lucht, licht, wilde aardbeien, frambozen en een waterpomp.
Wel moesten we heel stil zijn, omdat er wel eens mensen langs kwamen. Een keer kwam een onderwijzer met wat kinderen bij de hut. Wij zaten op de vliering, ze duwden tegen de deur en zeiden: 'Hier schijnen wel eens onderduikers te zitten!'

Derk Jansen, zijn broer Gerrit en de tuinman van het kasteel, Johan Kreunen zorgden prima voor ons. Ze brachten eten. Toch werd het te gevaarlijk. Voor oktober moesten we weg zijn, want dan begon het jachtseizoen. In het bos is toen een soort kippenhok uitgegraven. Een kuil was onze wc. Bij bombardementen trilde alles.

Op een dag met mooi weer hoorden we opeens gekraak. We schrok­ken ons wezenloos toen plotseling een man voor ons stond. Hij woonde aan de weg Vorden - Lochem. We vertelden onze ervaring tegen Derk Jansen, die later naar hem toe is gegaan. Hij bleek Maalderink te heten en te vertrouwen.
Een paar weken later kwam hij zelfs terug. Zijn zoon Jan was opgeroepen voor arbeid in Duitsland en of hij ook bij ons kon komen. We waren niet zo'n voorstander van een man die 's nachts bij ons zou liggen dus werd overeengekomen dat Jan overdag bij ons was en 's nachts in het koetshuis sliep."

Bevrijding in Kamp Westerbork
"In november 1944 kwam hier een eind aan. Op een avond werden we waarschijnlijk ontdekt door jagers. Dat hoorden we later, zelf hebben we niemand gezien. De volgende ochtend, 19 novem­ber, haalden enkele mannen van de Landwacht ons op. Ze dachten piloten te vinden, het bleken vier vrouwen.
We liepen met de Landwachters naar de jagershut. Mijn moeder rende naar een vijver, ze wilde niet in Duitse handen vallen, had ze altijd gezegd. Ze werd door ons tegengehouden. We kwamen in een cel van het politiebureau of gemeentehuis van Vorden. Mijn moeder probeer­de opnieuw zelfmoord te plegen door het slikken van aspirine. Ze werd er alleen suf van. Na een paar dagen werden we naar de gevangenis in Zutphen vervoerd, waar we acht dagen bleven. We moesten al onze bezittingen afgeven.
Eind november werden we met zeven mensen naar Westerbork gebracht. Onderweg stopten we nog in Schalkhaar.

In Kamp Westerbork hebben we gezeten tot de bevrijding. Toen we daar aankwamen waren er maar een paar mensen. De grote barakken stonden leeg, wij zaten in kleine barakken. Sinds septem­ber reden er geen treinen meer naar Polen. We waren op dat moment wel op de hoogte van de deportaties, maar niet van het uit­eindelijke lot van al die mensen.
Later kwam er meer mensen, vooral joden. We zaten daar in een barak naast Duitse joden, die er de leiding hadden. We werkten in de aardappelkeuken. Iemand hoorde dat we Jacobs heetten. Hij zei dat we maar een pannetje met onze naam erop moesten klaarzetten, dan kregen we extra eten. Later gaven we dat aan een jongen uit Zutphen, die het wel kon gebruiken. Last van de Duitsers hadden we daar niet. Hetty en ik beland­den in de buitendienst, in een bos. Duitsers gingen dan met ons mee.

Kamp Westerbork werd op 12 april 1945 bevrijd. Ongeveer 800 mensen maakten dit mee. Ik was die dag ziek maar hoorde plotseling roepen: 'De Canadezen zijn er!'
We moesten daar blijven, de oorlog was nog niet afgelopen. Eind april konden we naar huis. Terug in Hengelo konden we niet in onze eigen woning, want dat was een grote zwijnenstal. Tante Kitty en Hetty werden ondergebracht bij overbuur Be­rendsen, de kruidenier. Mijn moeder en ik waren welkom bij Wansink, een andere kruidenier. Na enkele maanden konden we weer in ons oude huis.
We hadden niet veel meer. Overal haalden we spullen vandaan om weer opnieuw te beginnen. We hadden het overleefd, maar de littekens waren diep. Van de negen mensen, die de twee gezinnen telden, waren er nog vier over."

Veel over de oorlog gepraat
De overgebleven vier vrouwen moesten toch doorgaan. Lena en Kitty zetten de winkel voort. In 1953 werd de zaak verkocht aan Lentferink. Edith ging naar Hilversum voor opleidingen in kinderverzorging. In januari 1953 is ze in Hengelo getrouwd met Martin Jakobs en verhuisde naar Nijmegen. Martin en Edith kregen drie kinderen: twee dochters en een zoon. Kitty en Hetty Jacobs emigreerden in 1953 naar Californië. Hetty was inmiddels in Nijkerk getrouwd met Jaap Nihom.

Ondanks alles heeft Edith geen oorlogstrauma opgelopen: "Ui­teraard hebben we na de oorlog wel veel over de oorlog ge­praat. Ook met onze kinderen. Dat is de beste manier om het te verwerken. Vergeten kun je het toch nooit, daarvoor zijn teveel ver­schrikkelijke dingen gebeurd."

In 2016 was ik voor het laatst bij Edith Jacobs aan de Ooysedijk in Nijmegen. Haar geheugen liet haar in de steek, ze kon zich mij niet meer herinneren. Ze overleed in 2018.

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden