Autowasstraat

Iets van spanning voel ik wel, desondanks hak ik de knoop halverwege de weg naar Zelhem door. Ik ga het doen, mijn auto door de plaatselijke autowasstraat sturen. Niets bijzonders, zult u wellicht zeggen. Nou, voor mij wel. Want ik heb het nog nooit eerder in mijn leven gedaan. Die uitzichtloze tunnel vol sop en grote borstels, ik heb ’m altijd en overal gemeden. Nu word ik aangemoedigd door een ongekende bak Saharazand, daar wil ik per direct vanaf.

En dus gaat het hier ineens rechtsaf, tussen smalle poortjes door, het onbekende in. Voor ik het weet, ben ik eraan begonnen. Autoraampje open. ‘Goedemorgen, zeg het maar’, zo klinkt de stem van een vriendelijke medewerker. ‘Ik ben hier voor het eerst, weet niet precies hoe dit werkt’, zeg ik, mezelf de tijd gunnend om een bord vol mogelijkheden te bestuderen. Hij legt uit: ‘Je kiest een programma, rekent hier af, rijdt rustig naar binnen en wij gaan je auto wassen.’

Het stelt me enigszins gerust, dit moet lukken. Daarbij zijn mijn wensen zeer beperkt. ‘Doe maar gewoon nummer 5’, besluit ik, terwijl door mijn hoofd nog de vraag schiet in hoeverre bodemreiniging een meerwaarde heeft. Vanaf hier gaat alles snel. Met vlotte handbewegingen wenkt een tweede medewerker mij om een stukje verder naar voren te rijden. Nogmaals raampje open. De afrekenman geeft iets aan. Het blijkt de antenne, die nog op het dak stond. 

‘Uit!’, roept zijn collega, nadat hij met de hogedrukspuit is begonnen met de voorwas. Hij wijst op de ruitenwissers, die nog op de automatische stand staan. Tussen al het water en sop door probeer ik de mannen en hun aanwijzingen te volgen. Dit is vakwerk, over de service niets dan lof. Maar hierna begint het pas echt, die borstels, die band! Ik zit met veel vragen. Hoe rijd ik daaroverheen? Het antwoord: vanzelf. Ten minste, als je er eenmaal goed opstaat: ‘Ho! Achteruit! Uit de versnelling! Hé, volgende keer niet zo hard!’

Overal water, borstels, sop. Ik voel me als in een achtbaan, ben blij als het einde in zicht komt. Achter alle borstels komt een schot tevoorschijn, met tekst. ‘Niet remmen.’ Ik herhaal het voor mezelf hardop: niet remmen! Ik rem niet. ‘De band stopt automatisch’, staat erachter. En: ‘Pas uitrijden bij groen licht.’ Deze secondes lijken uren. Ik zie nergens groen licht. Achter mij begint een auto te toeteren. Dat zal het groene licht zijn. Voorzichtig geef ik gas. 

Ik ben eruit! Een enorme zucht van verlichting. Ik rijd om het pand heen, zie niemand boos naar buiten rennen, dat valt mee. De auto blinkt als nieuw. Ik herhaal de lessen, beloof de volgende keer een betere klant te zijn. Voor nu durf ik eenmaal uit het zicht toch iets van trots te voelen. In het dorp draai ik de antenne weer op het dak. Stiekem hoop ik dat iemand het opmerkt. Zo van: kijk, die jongen is door de wasstraat gereden. Dat is 'm toch maar mooi gelukt.