Ondertiteling der nacht

Het is bijna ochtend en ik geef het op. Deze nacht bleek dit jaar mijn langste, ‘k had net zo goed niet kunnen gaan liggen. Om mij heen - door deken, verdieping en klink gescheiden - lijkt iedereen het rusten kundig uit te voeren. En dan ik; van linker naar rechterzijde. En weer terug, toch maar even op de rug. ’t Is vanwege omkijken en vooruit, met het licht uit. Plots projecteer ik beelden naar omhoog, blijkt mijn buik een beamer der onderstroom. 

Met dat ik mezelf scherpstel, ontsta je. Helemaal VHS-waardig; zacht omrand, in scenes die vertragen. Je klimt een glijbaan op en dan zwaai je, het is zomer. Ik blijk handmatig op je in te kunnen zoomen, wanneer mijn vingers je gezicht vergroten zie ik je sproeten verschijnen. Qua formaat liggen ze exact tussen die van je zus en mij in. Het maakt ons trots dat ook jij ze draagt, we hebben je huid erom gevraagd en ze ongeduldig naar de oppervlakte gestaard.

Over je zus gesproken, ze komt zojuist de film ingelopen. Ik houd mijn duim op het pleisterwerk om haar te doen stilstaan, ze heeft iets glimmends aan. In de koptelefoon, die ik niet draag, klinkt plots muziek uit de voorstelling die ze danste. Ze zweeft uit de coulissen en ik mag het opnieuw beleven; dit verstarrend glunderen en boven pluche uitstijgen. Hoe ze zwiert over onzichtbare lijnen en een choreografie omarmt waarvan ze in elke pas geniet. Hoe het, als ze uit de toon schiet, vooral lijkt of de rest het even niet meer wist. Zij en het licht. Niet zoals die golvende lijn die inmiddels talmend boven de gordijnen verschijnt. Nee, fel aanwezig en langverwacht. Zonlicht in de nacht.

Het scherm kantelt, mijn buik draait om. Er verschijnen naasten met hartzeer en aardverschuiving. Eentje tilt verhuisdozen, de ander snuit kraters in zakdoeken, een derde zet schouders onder werelden die je niet kunt dragen. Ik duw naarstig op mijn midden, maar kan geen rustpunt drukken. ‘Gun me testbeeld!’, smeek ik de zoldering. ‘Geef me tijd bij storing’. ‘Vraag het Teletekst!’, roept m’n oudste vanaf boven. En of het wat zachter kan vanwege nog te willen slapen.

‘Ken jij Teletekst?’, fluister ik moe. Het plafond werpt me een witte stift toe. En dan begin ik, op al mijn zwart, met het cijfer 888: Ondertiteling der nacht. 

‘Je bent niet alleen. Ik draag een licht in mijn buik, het komt door de littekens heen. Zal ik je ermee bijschijnen van voren? Zodat de schaduw achter je komt te liggen? Ik ben niet zo groot, zoals je weet. Anders was ik wel boven je gaan hangen, dan hadden we je donker kunnen vierendelen. Hoe dan ook; het wordt lichter. Welterusten.’