Afbeelding

Vlees, bloed en stekels

Vlees, bloed en stekels

In de supermarkt werd ik weer vrolijk. Met een volle spaarkaart en kleine bijbetaling kon je een knuffeldier kopen, ik koos een egel. Nog best lastig om te bepalen welke van de zes, ze keken me allemaal even lief aan. Een stukkie groter dan egels in werkelijkheid: mijn broer stuurde daar laatst nog een foto van op, een egel op z’n hand: “Hij kon de weg niet af vanwege de hoge stoep,” schreef hij.
Het herinnerde ons aan toen we kinderen waren en alle dieren een naam gaven, niet alleen de knuffels, of ‘speelgoeddieren’, zoals wij zeiden. De egel die in de achtertuin scharrelde werd Kareltje gedoopt.

De egel in de supermarkt noemde ik Ella. Haar kun je desgewenst aaien, haar stekels zijn van stof, die van Kareltje waren als naalden zo scherp.

Ella heeft die scherpte niet nodig, ze zit binnen op de bank, lijdt een bestaan in veiligheid. Buiten vormen stekels een sublieme bescherming tegen gevaar, en dan zijn egels ook nog eens capabel om zich zodanig op te rollen dat hun onbestekelde onderzijde eveneens verdedigd wordt.

Een week eerder was het Egeltelweekend geweest. De Zoogdiervereniging schrijft dat jaarlijks uit, in de hoop zo meer te weten te komen over de verspreiding van de egel in Nederland. Zoogdieren laten zich niet zo makkelijk tellen als vogels of vlinders, ze leven meer in het verborgene.

Tot mijn spijt moet ik mededelen dat ik het bewuste weekend zeker vijfentwintig egels heb waargenomen, maar geen levende; het waren stuk voor stuk verkeersslachtoffers.

Hun stekelhuid, gouden vondst van de evolutie, is niet bestand tegen het geweld van autowielen. En jezelf oprollen heeft averechts effect.

Gewoonlijk waggelen ze doodleuk de weg op, want dit is een gevaar dat ze niet kunnen herkennen, het komt te snel, uit een andere, volkomen onnatuurlijke hoek. Ongelijker kan een strijd niet zijn.

Een egel binnenshuis, dat is hooguit een knuffel uit de supermarkt, maar een egel in de tuin is van vlees, bloed en stekels. Door de tuinen en de parken sjezen geen auto's. Er wandelen wel slakken, extra veel dit jaar, en laten die nou net het lievelingskostje van egels zijn. Dat scheelt weer slakkengif of nog wredere methodes om die trage slijmerige rakkers aan te pakken. Gif waarvan egels óók weer te lijden hebben. In strak aangeharkte en gemaaide tuinen hebben egels niets te zoeken, dan trekken ze verder en moeten prompt weer een drukke straat oversteken. Dus het is zaak ze in de buurt te houden. Onder de afgeknipte maar niet afgevoerde rozentakken - een rommelig geheel - heeft in mijn stadstuintje wel eens een egel overwinterd.

Het is eenvoudig om het een egel naar de zin te maken.

Het record in mijn tuintje is vier egels tegelijkertijd: het kan niet anders of die zijn over de schutting geklauterd, want via de begane grond kom je er niet in. Egels zijn acrobatischer dan je zou verwachten. 

Het is oktober, ze gaan nu zo’n beetje hun winterslaap in. Tot volgend voorjaar zit ik hier thuis op de bank met Ella.