Afbeelding

Herfst en Heuvel

Herfst en Heuvel

Oktober. Die nacht roffelde de regen langdurig op mijn dak, nu eens luid dan weer zachter. Ook in de ochtend regende het nog. Zo grijs was de hemel dat ik de lampen in mijn kamer aan moest steken, ook toen de dag allang was begonnen. Een herfststorm was dit nog niet, maar de nazomer die tot diep in september reikte, leek nu helemaal voorbij. 

De regen, het lamplicht, de beslotenheid van de zolder, het voorbijgaan van de seizoenen. 

Ik nam ‘Oolde, mijn Oolde’ ter hand, die fraaie, geannoteerde uitgave van het klassieke ‘Oud-Achterhoeks Boerenleven’, dat de schoolmeester Hendrik Willem Heuvel schreef over zijn jeugd in het buurtschap Oolde bij Laren en dat in 1927 verscheen. 

Eigenlijk beschrijft het één volledig jaar van januari tot en met december, een jaar uit het boerenleven, zo ergens rond 1875, dus zo’n honderdvijftig jaar geleden. Je kunt het boek lezen als een lyrische en romantische terugblik op het landleven net voor de opkomst van de mechanisatie en de kunstmest, toen er nog gedorst werd met vlegels en gestoken met een riek. En toen er nog onland was, woeste grond, naast weides en akkers, bossen en houtwallen. En beschaduwde zandwegen. 

De Achterhoek als idylle.

Ik sloeg het boek op bij de maand oktober, hier geschreven als ‘october’ en liet me naar een najaarsstorm transporteren, daar in Oolde, in die boerenhofstede die Blauwhand heette. Het is de maand van het rogge zaaien en het aardappel rooien. En van de stormen. 

Ik laat meester Heuvel hier, enigszins verkort, aan het woord: 

‘En er kwam stormachtig weer. Van nacht ‘boesden’ de wind al zoo in de hooge boomen om ‘t huis en hoorde men telkens de regenbuien kletteren. Vandaag kwam tussen de windvlagen en plasbuien door soms het bleeke herfstzonnetje voor den dag en scheen zo weemoedig over het geel en bruin van lanen en bosschen. Tegen den avond haalt de Zuidwester weer aan en jaagt de dorre bladeren in wilde vlucht van de boomen. Na het avondmaal wordt het al erger. We hooren den storm bulderen en gieren om de hoeken van ‘t huis en in den schoorsteen. Hui, wat jagen die wolken langs de hemel: daar zie je Wodans mantel fladderen. Als de stormvlagen nog heviger worden, als de gebinten beginnen te kraken, dan slaat ons de schrik om het hart. We schuiven dichter bij elkaar, niet al te kort onder den schoorsteen voor ‘t geval er steenen mochten vallen.’ 

Aldus meester Heuvel in die geweldige uitgave, een liefdevol werk met commentaar. 

Er waren toen nog ongebroken gezinnen, haarden die brandden, meisjes gebogen over wit naaigoed, en kleine jongens die genoeglijk keken naar het spelen der vlammen. Vader en Moeder schreef je met hoofdletters. Op het menu stond bloedbrood met balkenbrij en zondags ‘klaor-aerpel’ met saus en een spekharstje (geen idee wat dat is, Google maakt er snoephartje van) en Moeder las voor uit een boek met preken. 

Een verloren wereld.
Het geroffel op mijn geïsoleerde dak was opgehouden.
Ik draaide de thermostaat naar negentien.
Volgende week schrijf ik over Netflix in de Achterhoek.