Coronacolumn | De eerste keer

De eerste keer

Nadat het verzorgingshuis haar deuren openzette, was het voor onze 99-jarige moedertje alsof ze Schavenweide weer opnieuw moest ontdekken.

Na drie maanden kon ze voor het eerst weer naar de kapper die in verzorgingshuis een eigen ruimte heeft. Als een dametje kwam ze op haar appartement terug. “Ik was best bang,” vertelde ze, “maar gelukkig zat ik alleen en droeg de kapster een mondkapje.” Dolblij was ze hiermee, en met haar goed geslaagde kapsel.

Bang was ze ook voor de eerste keren dat de vijf kinderen kwamen. “Natuurlijk wilde ik verschrikkelijk graag dat ze bij me kwamen, maar ik vond het ook griezelig. De angst voor besmetting zit zo diep in me. Maar toen ze er eenmaal waren, verdween het vreemde angstgevoel.”

De eerste keer dat ze met zuslief en zwager naar het terras van Schavenweide ging, beleefde ze intens. “Lekker samen buiten, genieten van elkaars verhalen, twee cappuccino's drinken en ook kijken naar het verkeer dat langs kwam.” Tien weken had ze geen auto gezien, keek ze op de binnentuin.

Samen met mij zat ze voor het eerst in het grand-café van Schavenweide. Het was er vrij rustig. De juiste sfeer om over tv-programma's en politiek te praten, haar favoriete onderwerpen. “Heb je gisteren Op1 gezien?” vroeg ze. Vervolgens ging het over mondkapjes: “Begrijp jij het Nederlandse beleid nog?” Ze hemelde voor het eerst viroloog Ab Osterhaus op, die bij Op1 klip en klaar zijn visie gaf over een positief gebruik van het inmiddels meest besproken en omstreden voorwerp van het jaar.

Niets deed vermoeden dat deze momenten een gouden randje zouden krijgen. Want natuurlijk wisten we dat de gezondheid van onze geestelijk zo kwieke moedertje haar parten speelde, dat haar energie nagenoeg op was, dat ze daarom vaak moedeloos was en verdrietig en zich afvroeg hoe lang de marteling van de zere plekken op haar huid zou duren. Ze wilde zo graag beter worden.

“Zal ik zaterdagavond weer voor het eerst bij je tv komen kijken, zoals we dat ook voor de lockdown deden?” vroeg ik afgelopen vrijdag. “O, wat heerlijk, daar verheug ik me op”, zei ze. Die avond aten we kersenvlaai, keken tv, praatten over de dag van morgen. Ik masseerde haar rug, hielp haar met klaarmaken voor de nacht. Toen ik wegging zat ze in de stoel. “Dank je wel voor je goede zorgen”, zei ze nog.

De volgende morgen ging vroeg de telefoon: “Josée, ik trof je moeder vanmorgen aan zonder hartslag en zonder ademhaling.” Mijn God, ik kon het niet geloven.

Daar lag ze, onze moedertje, vredig ingeslapen. “99 vind ik een mooier getal dan 100”, had ze ons al eens verteld. Maar wij vonden dat niet. Ik streelde haar, zei lieve woorden, zette foto's van kinderen en kleinkinderen op haar nachtkastje, liet een kaarsje branden en wachtte aangeslagen op broer en zussen. Op het tafeltje bij haar stoel lagen haar gedichtenbundels. Ik sloeg er een open bij het kaartje dat ik haar met moederdag stuurde, en las:

Om te leven, dacht ik,
je zou een vlinder moeten zijn,
om te vliegen heel ver weg
van alle leed en alle pijn.

         Lennaert Nijgh

jgruwel@hetnet.nl

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden