François van Hoogstraten was burgemeester van Hengelo van 1937-1956. Foto: Archief Willy Hermans
François van Hoogstraten was burgemeester van Hengelo van 1937-1956. Foto: Archief Willy Hermans

Vliegtuigcrash boven Hengelo

HENGELO - Op 10 augustus 1942 vertrok om 0.10 uur vanaf vliegbasis Breighton bij Yorkshire de Wellington Z1463 voor een bombardement op Osnabrück, met aan boord gezagvoerder James Finlay en verder Kevin Smith, Robert Ponton, Nicolas Dan, alle vier uit Australië, en de Nieuw-Zeelander Stephen Goord. Vier vliegtuigen werden deze nacht boven de Achterhoek neergeschoten door Duitse nachtjagers, waaronder de Z1463. Om 3.07 uur werd de Wellington boven Hengelo door de nachtjager van Oberleutnant Knacke onderschept. Hij opende de aanval en vuurde raak. Het 33ste vliegtuig dat hij neerhaalde. Het toestel explodeerde in de lucht en stortte neer aan de Remmelinkdijk op de grens van Hengelo en Zelhem, met de bommen nog aan boord. De Hengelose burgemeester François van Hoogstraten zette zijn ervaringen op papier.

Door Willy Hermans

Burgemeester op de fiets naar onheilsplek
De nachtrust van Van Hoogstraten werd wreed verstoord. Tijdens het luchtgevecht werd het even bijna daghelder. Een explosie volgde, een dreun en nog een ontploffing. De burgemeester kleedde zich aan in de verwachting dat de politie hem zou komen waarschuwen. Een gemeenteveldwachter belde op met de mededeling dat het vliegtuig brandend was neergestort in de richting van Zelhem, vlakbij de boerderij van Te Waarlo. Van Hoogstraten pakte zijn fiets en begaf zich naar de onheilsplek. Onderweg raakte hij in het donker een aantal malen de weg kwijt.

“Eindelijk zag ik in de verte iets smeulen, sloeg een zijpad in en stuitte op een dwars over de weg liggende gedaante; even verder lagen nog twee piloten, allen dood. Met mijn zaklantaarn vond ik in de omtrek tal van verwrongen stukken en afgeslagen onderdelen van het vliegtuig, waarvan een vleugel en de staart en een groot deel van de romp was afgeslagen; ook een wiel lag ver weg achter de boerderij; een vleugel en andere onderdelen lagen uitgebrand tussen de rogge.

Vlakbij het toestel, dat vrijwel loodrecht is neergekomen, lag nog een slachtoffer, de officier-piloot, en naast hem, half uitgespreid, zijn parachute. Bij een van de anderen was dit ook het geval, twee hadden het nog ingepakt bij zich, van één ontbrak het, doch dit werd later teruggevonden.

Met de marechaussee en politie regelde ik de afzetting en de bewaking, zo lang die niet door de Duitsers zou zijn overgenomen, mede in verband met het gevaar van nog aanwezige bommen, waarvan één zichtbaar naast het toestel lag in een perceel haverland.”

Van Hoogstraten fietste daarna terug naar Hengelo om de crash te melden bij diverse autoriteiten. Uitdrukkelijk werd van Duitse zijde gezegd alles precies zo te laten liggen tot zij ter plaatse waren.

“De Duitse wachtcommandant wilde dat mijn politie met twintig burgers de hele gemeente zou afzoeken, daar hij veronderstelde dat nog twee of drie andere piloten zouden zijn ontkomen. Ik wees erop dat ik slechts twee man politie had, die bovendien de gehele nacht met dit geval in touw waren geweest, en geen burgers kon belasten met een zuiver militaire taak.”

Nadat een vijfde slachtoffer onder een fragment van het vliegtuig was gevonden en getuigen verklaarden dat het vliegtuig in de lucht was geëxplodeerd, nam de wachtcommandant aan dat geen andere personen in het toestel aanwezig waren geweest. Voor de zekerheid liet hij het omliggende haverland door de soldaten doorkruisen maar zonder resultaat. Intussen lagen de lijken nog steeds zoals ze terechtgekomen waren; twee waren op hun hoofd neergekomen en sterk verminkt; één persoon had een donker uiterlijk.

Pas om 15.30 uur nam de Duitse wacht de bewaking van de politie over. Diverse boerenwoningen in de omtrek hadden door de ontploffing glas- en/of dakschade geleden.

’s Middags kreeg de burgemeester de opdracht de lijken weg te halen en vijf lijkkisten te laten maken. Op de algemene begraafplaats moesten vijf afzonderlijke graven naast elkaar worden gegraven. Op elke kist moest hij de persoonlijke gegevens met olieverf laten schilderen. Een soldaat had in het geheel niets bij zich. Op zijn kist moest worden vermeld: ‘Onbekende Engelse soldaat’. Pas een jaar later zou via het Rode Kruis het bericht komen dat het hier de Australiër James Finlay betrof.

De begrafenis met eresalvo
“Dinsdagsavonds kreeg ik uit Arnhem telefonisch bericht dat de begrafenis de volgende morgen om 9.00 uur zou plaats hebben. Voor bloemen zouden de Duitsers zelf zorgen. Ik had een platte wagen met wat stro gehuurd, een paar lieden ter assistentie gevraagd, de lijken laten opladen en naar het lijkenhuisje op het kerkhof laten overbrengen. Intussen had ik order gegeven om op een uitgekozen plek vijf graven naast elkaar te graven. Op mijn last had ik de kisten vijf centimeter groter dan de normale maat laten maken, en dus ook de groeven ruimer, daar al de slachtoffers met uniform en jas aan gekist moesten worden.

Dinsdagavond om 20.00 uur is dit geschied, met grote zorg dat geen verwisseling plaats zou hebben. Daar zowel die dag als de vorige dag een warme temperatuur heerste, was de atmosfeer in het lijkhuisje verre van aangenaam en werd door de helpers na afloop van hun werkzaamheden een ontsmettingsmiddel toegepast.”

Op woensdagmorgen 12 augustus begaf Van Hoogstraten zich om 8.30 uur met ambtsketen en in het zwart gekleed naar het kerkhof, vergezeld door gemeentesecretaris H.C. Arends. De Duitse legerpredikant was aanwezig met een peloton soldaten (24), commandant en adjudant. De soldaten marcheerden het middenpad van het kerkhof af, gevolgd door de legerpredikant, de gemeentesecretaris en de burgemeester. Het peloton stelde zich naast de groeven op, waarna de predikant in het Duits het woord nam, de zegen uitsprak, een korte liturgie las en een korte preek hield. Hij wees erop, dat de vijandschap ophoudt met de dood. Na het ‘Onze Vader’ werden de kisten neergelaten, onder het militair saluut van de legerpredikant en de pelotonscommandant, en het peloton in de houding.

Daarna werd een eresalvo van drie keer 24 schoten afgevuurd. Toen de laatste kist was neergelaten, plaatste de predikant op het middelste een grafkrans van twee nagemaakte palmtakken met witte bloemen.

Hiermee was de indrukwekkende plechtigheid ten einde. De weggesprongen koperen patroonhulzen werden verzameld en meegenomen, het peloton marcheerde af. De legerpredikant verklaarde dat alles in orde bevonden was en dankte de burgemeester voor de zorgen. Hierna vertrok hij weer naar Arnhem.

Van Hoogstraten wenkte hierna de grote groep belangstellenden (die dag was er een drukke paardenmarkt) die op afstand stonden, naderbij en sprak hen toe: “Het is mij niet geoorloofd in het publiek te spreken, zonder dat die rede te voren door de autoriteiten is goedgekeurd. Ik volsta dus met de mededeling dat ik, als burgemeester van Hengelo Gelderland, op aanwijzing der Duitse Wehrmacht, namens de gemeente waar deze vijf Engelse piloten hun laatste reis voorgoed beëindigden, en hun leven lieten op het veld van eer, hun deze stille rustplaats voor den langen slaap des doods aanbied. Hun as ruste in Vrede.” Daarna in het Engels: “May Thy ashes rest in Peace.” Hierna liepen vele belangstellenden langs de graven en werd een boeket paarse bloemen neergelegd. In de namiddag en ’s avonds hebben nog veel mensen bloemen op de graven gelegd.

Een van de slachtoffers was Stephen Goord (1913, Sittingbourne Engeland). Zijn vader sneuvelde tijdens de Eerste Wereldoorlog, waarna moeder hertrouwde en het gezin naar Waitara in Nieuw-Zeeland emigreerde. Stephen ging daar naar school en werkte als arbeider. In september 1939 ging hij in dienst, een jaar later vertrok hij naar Canada, waar hij leerde voor radiotelegrafist, bommenrichter en luchtschutter. In 1941 kwam hij bij het 460ste Australische Squadron. De fatale crash in Hengelo was het einde van zijn 27ste operationele vlucht.

Burgemeester van Hoogstraten had in 1946 een briefwisseling met de inmiddels blinde moeder van Goord. In 1960 zocht hij familieleden van Nicholas Dan in Sydney en Stephen Goord in Nieuw-Zeeland op, een verslag daarvan was in De Graafschapbode te lezen.

Bron: collectie Morsink, gemeentearchief Hengelo

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden