Foto: Nick Oostendorp

Zwaleman | Höuwen

Höuwen

Een paar mensen die mijn column van vorige week hadden gelezen spraken me aan op de bewering dat de discotheken het zo moeilijk hebben, doordat jongeren in de weekends alle zomerfeesten in de streek aflopen. "Dat ze die stuk voor stuk kunnen bezoeken, komt doordat ze tegenwoordig allemaal een auto hebben", zei een al wat oudere dorpsgenoot. "Wij moesten vroeger alles op de fiets doen, dan was de keuze niet zo groot."

Daar valt natuurlijk niks tegen in te brengen. Ik kan me uit mijn eigen jonge jaren nog heel goed herinneren dat mijn actieradius in de weekends opeens veel groter werd toen ik mijn rijbewijs had gehaald. Ook al was ik de eerste jaren nog afhankelijk van de welwillendheid van Pa. Alleen als ik zijn auto mocht lenen kon ik de wat verder weg gelegen disco's bezoeken. Een eigen auto zat er op mijn achttiende nog niet aan, ook al had ik toen al wel mijn eerste baan. De verdiensten van een leerling-journalist waren echter bij lange na niet toereikend voor een auto. Die ik ook helemaal niet nodig had, aldus mijn hoofdredacteur. Ik kon volgens hem 's avonds best op de fiets naar een gemeenteraadsvergadering vijftien kilometer verderop. "Dat moest ik vroeger ook", was de zin waaraan ik toen een enorme hekel heb gekregen.

Ik ging trouwens niet eens op de fiets. Voor de korte stukjes had ik een brommer. En voor de wat langere stukken was er altijd nog de duim. Tegenwoordig is het haast niet meer voor te stellen, maar in de jaren zeventig (daar heb ik het over) was liften heel gewoon. Duizenden kilometers heb ik afgelegd in auto's van vriendelijke vreemden. Niet alleen voor mijn werk, ook in de weekends dat Pa zijn auto zelf nodig had. Zelfs als om een uur of twee 's nachts de disco dicht ging (ja echt, zo vroeg!!!), kreeg je meestal nog wel een lift naar huis.

Maar goed, we hadden het over de kermissen en dorpsfeesten. Er waren er heel wat waar de jongelui niet naar toe konden, toen er nog geen auto's of of zelfs nog geen fietsen waren. In die dagen kon je alleen naar de feesten op loopafstand. Waarbij je trouwens wel moet bedenken, dat loopafstand voor de generaties voor ons heel wat verder was dan tegenwoordig. Het was honderd jaar geleden nog heel normaal dat de Borculose postbode twee keer per dag naar naar het hoofdpostkantoor in Lochem heen en weer liep om de post te halen en te brengen. En als een keuterboertje uit Hoog Keppel zijn aardappelen op de markt wilde verkopen, liep hij gewoon naar Doetinchem. Met een zware mand piepers op de schouders!

Zo was ook de actieradius voor kermisfeesten toch nog onverwacht groot. Meester Heuvel uit Laren (ik noemde hem vorige week ook al) vertelt in Achterhoeksch Boerenleven dat de kermis in zijn jeugdjaren ook al werd bezocht door 'wildvreemden uit alle windstreken'. En hij noemt ze allemaal: 'Daar verschijnen de Bathmensche 'platkonten', zo gescholden wegens hun korte buisjes, die de broek onbedekt laten. Ook de Holter jongens en meisjes dagen op in breede gelederen, voor alle eventualiteiten met stokken gewapend. Nog geduchter zijn de Stokkumschen, die hun koezen dreigend zwaaien en het mes geslepen hebben.'

Waarom deze kermisvierders zo zwaar bewapend zijn? Ook dat legt Heuvel uit:
'Op de Larensche kermis moeten ze 'höuwen' , dat is een oud recht.'
Ook hooligans zijn dus van alle tijden, als ik het goed begrijp.

Oh ja, nog even dit: die Stokkumschen waarover Heuvel het heeft kwamen uit de Markelose buurtschap Stokkum, hooguit tien kilometer van Laren vandaan. In het Montferlandse Stokkum piekerden ze er niet over om naar de Larense kermis te gaan. Voor hen was Laren een dagmars. En nog eentje terug. Als je tenminste de kermis overleefde.

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden