Column Eva Schuurman - Poëzie

Ik was van de week twee dagen in de bibliotheek. Omgeven door talloze boeken die allemaal een andere combinatie van 26 letters bezaten. Ingehuurd om kinderen les te geven over poëzie. Ik hou van kinderen en ik hou van poëzie, win win. Er stonden 100 stoelen voor ons klaar, er was een zoemende beamer, een draadloze microfoon (want ik had griep gehad) en een tafel met daarop een lessenaar.

Ik kwam aan met woorden onder de arm en een restje kou in de keel. Had plaatjes bij me van gedichten en foto's van moeilijke woorden. 'Ik ga jullie uitleggen wat interpreteren betekent' sprak ik betekenisvol. En vierhonderdennegentig kinderen luisterden naar mij. Dachten 'die mevrouw weet moeilijke dingen', openden zich langzaam en deelden gedachtesprongen en ingevingen. Ze gaven me het gevoel nederig met mijn mond vol tanden te staan. Tot ik telkens terstond, mijn tong terugvond.

Poëzie. Niet iets dat direct aanspoort tot kinderlijk enthousiasme. En toch kwamen ze richting het stiltecentrum gerend als was ik een achtbaan. Niet omdat ze dat besloten hadden, maar gewoon omdat hun benen dat deden. Omdat kinderen nog overal naartoe rennen, en grote mensen overal vandaan.

'Ben jij volwassen?' Vroeg een jongetje van 8 me. 'Officieel wel' antwoordde ik hem. Ik vertelde een geheim over onze dwerghamster en beschreef mijn lievelings-oma. Verklapte ze dat een dichter spelfouten mag maken en dan mag zeggen 'dat is mijn dichterlijke vrijheid, ik heb het zo bedoeld.' We werden even beste vrienden en spraken zwijgend af elkaar te vertrouwen.

'Weten jullie wel dat je moet proberen nooit ergens aan gewend te raken? Als je ergens aan gewend raakt, zie je niet meer hoe mooi het is.' We werden collectief filosofisch en zagen schoonheid steeds voor waarheid aan. De tijd drapeerde een immens dekbed over ons heen. Een warme, zachte deken met een lief motief, waaronder wij ons glimlachend nestelden.

Boven onze deken staken vingers uit. Vingers met slapende vragen, dromerige opmerkingen en nachtmerrie-besef. 'Mijn opa weet niet meer wie ik ben', zei het jongetje dat aan de vinger vastzat. 'Er gaat iets mis in het hoofd van jouw opa. Zijn hoofd is het niet meer met zijn hart eens. Dat weet je wel hè?' Dat zou hij onthouden zei hij onbedoeld passend.

Voor het eerst in mijn leven heb ik handtekeningen uitgedeeld. Tijdens het krabbelen vroeg ik zo af en toe nieuwsgierig of ze nog wel wisten wie ik was. 'Nee, kun je dat er nog even onder schrijven?'

En zo hoort het ook. Wanneer je zo echt bent als zij. Als je schoonheid voor waarheid aanneemt. Dan doen aardse details er maar weinig toe. Dan noem je iemand 'Mevrouw', 'Juf' of 'Hee' en sprokkel je overal iets mee. Tot je voeten besluiten dat het tijd is om ergens anders naartoe te rennen. En met mijn rauwe keel huppelde ik naar de auto, vastbesloten nooit ergens aan gewend te raken. En zeker niet aan deze dagen.

'Alle blije kinderen,
kijk ze rennen gaan.
Nog overal naartoe.
En nergens vandaan.'


Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden